Wordt AI slimmer dan de mens? | PromZ

Wordt AI slimmer dan de mens?

Artificiële intelligentie is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een spiegel waarin we steeds opnieuw naar onszelf kijken. Techbedrijven beloven dat machines binnenkort slimmer worden dan mensen, terwijl wetenschappers daar juist stevige kanttekeningen bij plaatsen. Ondertussen roept bijna iedereen wel iets: dat het onvermijdelijk is, dat het onmogelijk is, dat we ervoor moeten oppassen of dat het ons eindelijk gaat helpen. Maar onder al die meningen zit één simpele waarheid: de vraag “is AI slimmer dan de mens?” kun je pas beantwoorden als je eerst duidelijk maakt wat ‘slimmer’ eigenlijk betekent.

Leervermogen

Wat we wel zeker weten, is dat leren centraal staat. Ons menselijk leervermogen komt voort uit neuroplasticiteit: het vermogen van het brein om zich aan te passen, verbindingen te versterken en nieuw paden aan te leggen op basis van ervaring. Wie ooit een taal heeft geleerd, instrument heeft geoefend of een sport beter onder de knie heeft gekregen, herkent dat meteen. Door herhaling worden verbindingen sterker en gaat iets wat eerst lastig was na verloop van tijd vanzelf.

Kunstmatige neurale netwerken zijn mede geïnspireerd op dit idee. Ze bestaan uit ‘neuronen’ met verbindingen die zwaarder of lichter wegen, afhankelijk van wat het systeem leert uit data. Met supervised learning leert het model via voorbeelden met juiste antwoord erbij; met unsupervised learning ontdekt het zelf structureren en  clusters met reinforcement learning leert het via beloning en straf welke strategie het beste werkt. In die zin lijkt de machine learning op trainen: hoe beter het systeem wordt in zijn taak.

Waarom AI vaak wint

Als je intelligentie definieert als “het snel en nauwkeurig oplossen van een probleem”, dan zijn machines op allerlei plekken al lang slimmer dan mensen. Ze analyseren miljoenen beelden in een tempo dat geen mens kan bijbenen, herkennen patronen in gigantische datasets en zijn ongeëvenaard in bepaalde spellen en optimalisatieproblemen. In dat soort contexten is het geen spannende wedstrijd meer: AI wint.

Waar het menselijk brein nog voorligt

Daarom maken onderzoekers vaak het onderscheid tussen ‘smalle’ en ‘brede’ intelligentie. De AI die we vandaag kennen is vooral smal: briljant binnen één taak, maar kwetsbaar buiten die taak. Een systeem kan bijvoorbeeld uitstekend zijn in het herkennen van katten op foto’s, maar heeft geen begrip van katten als levende wezens. Het weet dat iets een kat is, maar begrijpt niet waarom dat betekenis heeft.

Mensen zijn bijna het omgekeerde. We zijn niet altijd perfect in één specifiek kunstje, maar wel opvallend flexibel. We combineren kennis uit verschillende domeinen, improviseren als iets anders loopt dan verwacht, en halen moeiteloos relevante informatie uit verschillende momenten in ons leven. Die soepelheid is precies wat mensen bedoelen met ‘brede’ intelligentie.

De grote droom heet AGI: artificial general intelligence, een systeem dat net zo veelzijdig en contextgevoelig kan denken als een mens. Hier schuift het debat van “AI is al slimmer” naar “AI wordt ooit overal slimmer”.

Is het haalbaar?

Een groep onderzoekers, onder andere verbonden aan de Radboud Universiteit en andere universiteiten, stelt dat die stap naar menselijke cognitie niet simpelweg een kwestie is van “meer data en meer rekenkracht”. Hun punt is dat menselijke cognitie niet alleen complex is, maar ook op een manier werkt die lastig te vangen is in de huidige aanpak van machinaal leren. Mensen halen zonder moeite relevante informatie uit verschillende tijdschalen iets van tien minuten geleden, een jaar geleden, of iets dat je ooit van iemand hebt geleerd en we gebruiken dat direct in nieuwe situaties. Bovendien doen we dat in een extreem energie-efficiënt systeem: het brein.

Dieren

Het helpt om dieren erbij te betrekken. We vinden het vaak vanzelfsprekend dat de mens ‘het slimste’ wezen is, maar dat hangt sterk af van wat je meet. Een kraai gebruikt gereedschap, een octopus kan plannen en puzzels oplossen, honden pikken sociale signalen op waar mensen soms zelfs moeite mee hebben. Zijn zij slimmer dan wij? In hun eigen vaardigheden soms wel.

De discussie is al begonnen

De spannendste verhalen gaan over superintelligentie en controleverlies, maar het belangrijkste gesprek speelt nu al. AI beïnvloedt vandaag al keuzes, processen en informatievoorziening. Als trainingsdata scheef zijn, kunnen systemen discriminerende uitkomsten geven. En omdat veel modellen lastig uit te leggen zijn, is niet altijd duidelijk waarom een besluit precies zo uitvalt.

Daarbovenop komen de grote beloftes van techbedrijven, die voor buitenstaanders moeilijk te controleren zijn. Daarom is het zinvoller om minder te focussen op verre doemscenario’s en juist scherp te blijven op de concrete vragen van nu: transparantie, verantwoordelijkheid en eerlijk gebruik.

AI al slimmer dan wij?

Misschien is het eerlijkste antwoord geen ja of nee, maar: soms. AI is in bepaalde taken al lang slimmer dan de mens, en in andere opzichten nog opvallend beperkt. De vraag zegt daardoor niet alleen iets over machines, maar vooral over onszelf: over hoe wij intelligentie definiëren, welke vormen we belangrijk vinden.